Gregoriaans
als bron van de Europese Muziek
Jan Valkestijn
In oktober 2000
verscheen het nieuwe boek van Jan Valkestijn waarin hij op zoek gaat
naar de invloed die het gregoriaans op de Europese muziek heeft gehad.
Binnen de drie maanden was het boek uitverkocht en inmiddels herdrukt.
Dat bewijst maar weer eens hoe groot de nieuwsgierigheid is bij muziekliefhebbers
naar dat rare, ouderwetse gregoriaans, waarzonder blijkbaar de hele
Europese muziekgeschiedenis er ongetwijfeld heel anders zou uitgezien
hebben. In een artikel over gregoriaans bedoeld voor jongeren schreef
ik enkele jaren geleden dat zelfs de Spice girls of Madonna heel andere
muziek zouden gemaakt hebben, mocht het gregoriaans niet hebben bestaan.
Of Jan Valkestijn dat ook kan onderschrijven, weet ik niet, want hij
waagt zich in zijn boek nauwelijks aan de populaire muziek (op een enkele
notitie na over zijn afkeer van het gebruik van gregoriaans in de popmuziek
van Enigma). Maar voor wat de liturgische, kerkelijke en geestelijke
muziek betreft - zowel vocaal als instrumentaal - toont hij de schatplichtigheid
van deze genres aan het gregoriaans overtuigend aan.
Na een inleiding waarin hij zeer kort het gregoriaans beschrijft en
vastlegt wat hij onder Europese muziek verstaat, vertrekt hij vanuit
de eenstemmigheid van de negende eeuw met tropen, sequentiae en liturgische
drama's om vervolgens aan te tonen hoe de prille meerstemmigheid die
hieruit onstaat, stevig geënt is op de aloude stam van het gregoriaans.
Via de motetten van de Ars Antiqua en de Ars Nova belanden we bij de
Renaissance waar Valkestijn ook aandacht heeft voor de muziek van de
Reformatie. Daarna komt de invloed van het gregoriaans op Barok, Klassiek
en Romantiek aan bod om te eindigen bij de Moderne en de Hedendaagse
muziek. Een appendix is gewijd aan het gregoriaans in de Nederlandstalige
kerkmuziek (ook de Oud-Katholieke) met onder andere de niet altijd zo
geslaagde pogingen om het gregoriaans in de volkszang te recyclen.
De grote verdienste
van Jan Valkestijn is het illustreren van zijn betoog met honderden
uitgebreide muziekvoorbeelden. Veel beter dan bladzijden vol woorden
tonen die de verwantschap en de regelrechte afstamming aan van muziek
waar je op het eerste gezicht de gregoriaanse oorsprong niet in zou
vermoeden. Valkestijn maakt het de lezer hierbij niet altijd gemakkelijk
en geeft hem als het ware niet meteen de oplossing. De muziekvoorbeelden
zijn eerder muziekopdrachten. De lezer moet zelf aan het werk gaan,
zijn huistaak maken en de muziekvoorbeelden zingen of naspelen, waarna
in veel gevallen de verwantschap zonneklaar wordt. Deze moeilijke methode
heeft het voordeel dat wat je zelf al zingend ontdekt hebt, beter beklijft.
Gelukkig reikt de auteur de lezer hier een helpende hand in de begeleidende
teksten, die lang niet zo beknopt zijn als bijvoorbeeld in zijn cursusboek
Vormen en stijlen in het gregoriaans, waar de minder ervaren zanger
of muzikant soms op zijn honger bleef zitten.
De grootste verdienste
van dit boek is dat het aantoont dat de hele Europese muziekcultuur
zijn diepste wortels heeft in het gregoriaans, wat op zich al een voldoende
argument moet zijn om het gregoriaans in ere te houden en het verder
te bestuderen. Het is ook boeiend om te zien hoe componisten van het
hele vorige millennium voor hun composities op talloze manieren teruggrepen
op bronnen en technieken uit vroegere perioden van de muziekgeschiedenis.
Niets wijst erop - integendeel zelfs - dat dit in het nieuwe millennium
anders zal zijn.
|